Virgentaler Hüttentocht  

In juni 2007 ben ik tien dagen naar het Virgental in Oostenrijk gegaan, waar ik een tocht heb gemaakt langs de Lasörling Höhenweg en Venediger Höhenweg. Dit gebied ligt tussen de 2000 en de 3000 meter hoogte, met als hoogste piek de Gross Venediger (3666 mtr). Ik ben op maandag met de trein uit Breda vertrokken en arriveerde dinsdag bij mijn eerste hütte: de Wetterkreuzhütte op 2106 mtr hoogte. Hier heb ik mijn rugzak afgelegd en ben ik wat over de alpenweiden gaan scharrelen. Terwijl ik steeds dichter bij een, met kruis gekroonde, top kwam. Ik voelde me goed en besloot om deze top (Legerle) te beklimmen, als eerste oefening. Het geeft een enorme kick om dan eindelijk op die top aan te komen en het kruis te kunnen aanraken. Het is de inspanning waard en het voelt altijd als een prestatie, ongeacht hoe hoog de top relatief gezien ook is.

Wanneer je bij zo’n top zit, heb je altijd een fantastisch uitzicht over de dalen en andere bergtoppen om je heen. Voor mij voelde het zeker als een prestatie. Zonder enige conditie, oefening of ervaring, met net een 20-uur durende trein/bus reis achter de rug, bijna geen slaap gehad en dan meteen een top bereiken!

 

De volgende dag heb ik de eerste echte wandeling gedaan, met (zware) rugzak, naar de Lasörlinghütte (via de Zupalseehütte). Het weer was fantastisch en ik genoot van al de bloemen om me heen; de alpenroosjes kleurden hele hellingen rood. Bij de Zupalseehütte heb ik gelunched en daarna ben ik weer doorgegaan. De omgeving veranderde en de alpenroosjes en andere kleine struiken verdwenen. De weiden stonden nog steeds in bloei met een pracht aan verschillende bloemen, maar je merkte dat je hoger kwam. Mijn eerste kennismaking met “Murmultiere”, met sneeuwvelden, met de vele watertjes die voortdurend aanwezig waren om mijn dorst te lessen.

Het was uiteraard heel vermoeiend, met name gezien het gebrek aan ervaring, en ik was heel blij om de Lasörling Hütte in het zicht te krijgen. Vaak wanneer je de hütte ziet, moet je nog ruim een uur lopen, maar het vooruitzicht van je eindpunt maakt die laatste kilometers dragelijker.

De volgende dag vertrok ik weer vroeg, rond 8:00 uur, want de tocht van deze dag zou zwaar worden. Ik zou een tocht doen naar de Neue Reisenberg Hütte, welke te boek stond als 6 uur durend. Gedurende deze tocht zou ik 3x 400 meter moeten stijgen en daarna weer dalen, omdat je telkens over een andere bergrug moet komen om in het volgende dal terecht komen. Elke keer wanneer je zo’n bergrug beklommen hebt en je eindelijk boven bent, is dat zo’n zelfde ervaring als het beklimmen van een top. Meestal is het uitzicht over die bergrug heen verrassend. Je loopt al uren met dezelfde bergen om je heen en het vooruitzicht van die top of die bergrug voor je waar je overheen moet. Wanneer je dan boven bent en je kunt aan de andere kant kijken vind je heel nieuwe vooruitzichten en wordt het pad dat voor je ligt en wat je een tijdlang slechts tot het hoogste punt voor ogen had, ineens duidelijk. Dit kan meevallen en tegenvallen, maar het is altijd een verrassing.

Boven rust je uit en eet wat, waarna je met hernieuwde energie aan de afdaling begint.

In dit dal werd ik de eerste keer overvallen door een heftig onweer. De hagel deed gewoon pijn aan mijn oren en ik moest een T-shirt over mijn hoofd doen om me hiertegen te beschermen. Wanneer je een onweer in zo’n kom van bergen hebt, werken deze als een soort klankschaal. Je kunt je voorstellen wat een geweld dat was. Je hebt ook geen bomen om te schuilen, dus het enige dat je kunt doen is hetzelfde als mijn ezels doen: je kont naar de wind draaien en wachten tot het voorbij is. Gedurende deze tocht heb ik drie keer zo’n onweer over me heen gehad en dit maakte de tocht nog zwaarder. Wanneer je op een steile helling van grint en zand over een pad van een halve voetstap-breedte omhoog zigzagt en dit randje is dan ook nog eens wit van de hagel, geeft dat niet echt een veilig gevoel.

Na een aantal van dit soort onveilige en eigenlijk onverantwoorde momenten liep ik de tweede bergrand over en een dal in, op een redelijk horizontaal gebied. Ineens komt er een wolk van beneden tussen de heuvels door en slokt mij en heel mijn omgeving op. Dit is een heel rare gewaarwording en wanneer je dan ineens zo in de mist loopt, geen idee meer hebt van de grote bergtoppen om je heen, dan sta je ineens heel dicht bij God. Zo voelt het.

Na een tijd door het dal gescharreld te hebben, omringd door de wolk en de grote stenen krijg je werkelijk gedachten aan spooklegers die ineens uit hun graven opstaan en ten strijde trekken! Gelukkig was dit niet het geval en net zo spontaan als dat de wolk opkwam, verdween hij ook weer. Om plaats te maken voor de tweede onweersbui....

De derde bergrug doemde voor me op en vaak moest ik sneeuwvlaktes oversteken om het pad te kunnen volgen.

Ik was werkelijk kapot en uitgeput, met name van de rugzak. Ik kon niet meer lopen van de pijn in mijn rug en schouder en ik had meermaals de gedachte dat ik het niet zou halen. Dat ik het werkelijk niet zou kunnen volhouden, vanwege de pijn van de banden van de rugzak en de vermoeidheid.

Een krachtsinspanning van een heuvel-op of berg-op te gaan is altijd te doen… een tweede keer ook nog wel, maar een derde keer weer alle energie bij elkaar rapen, een derde keer jezelf oppeppen om weer die extra inspanning te leveren was heftig. Wanneer je dan eindelijk over die rand komt en je ziet in de verte, aan een meer, de Neue Reichenberger Hütte liggen, dan valt er een last van je af. Zoals al eerder gezegd: die laatste kilometers voel je dan eigenlijk niet meer.

Toen ik bij de hütte aankwam stonden twee Duitse mannen en vrouwen in het portaal van de hütte te kijken naar het weer. Een volgende onweer dreigde. Binnen kon ik me drogen, zeiden ze, maar toen ik aangaf dat ik daar niet zozeer behoefte aan had, maar dat ik gewoon kapot was van de tocht, werd door één van de vrouwen een spottende opmerking gemaakt over mijn conditie en er werd gelachen.

Tot nu toe had ik de tocht door de bergen als een volledig fysieke ervaring gedaan. Ik was mij heel erg bewust van geweest van allerlei fysieke gewaarwordingen, zoals mijn hartslag, de moeite met ademhalen op deze hoogte, de vermoeidheid, de pijn van mijn rugzak, noem het maar op. Ik had wel genoten van de uitzichten, van de bloemen, de Murmultiere, de mooie stenen enzovoort, maar het beperkte zich tot een fysieke ervaring. Tot deze opmerking.

In de NRH had ik, net als in de andere hüttes niet mogen roken. Bij wijze van uitzondering had ik in de oude, onverwarmde ruimte mogen zitten om te roken. Zo af en toe kwam je even terug in de stube, waar de andere mensen zaten en je voelde hun blikken. Niet dat me het iets deed, want het zorgde ervoor dat ik me juist nog meer afzonderde in de andere ruimte, maar het voelt toch niet prettig.

Ik was de volgende dag weer vroeg op pad en liet met de zon in de rug de hütte en het meer achter me.

De mensen die ik de vorige avond ontmoet had, vertrokken wat later echter wel op weg naar dezelfde hütte als ik: de Clara Hütte. Ik wist dat ze me op een gegeven moment zouden inhalen, want iedereen was meer ervaren dan ik.

De tocht was prettig en hij liep geleidelijk omlaag, evenwijdig aan een steeds groter wordende rivier, zo’n honderd meter beneden me. Ongeveer halverwege liep de golvende weg weer over een heuvel heen en zag ik op de heuvelrug achter me de mensen aankomen. Ze zouden me inhalen en ik wist dat die vrouw weer een opmerking zou maken, dit keer over het roken. Hierop volgde het volgende gesprek, dat volledig in mijn hoofd plaatsvond:

Vrouw haalt me in, terwijl ik sta uit te hijgen en maakt een opmerking zoals “steek er nog één op,” of iets in die strekking.

P-P:       “Mevrouw, waarom veroordeelt u mij?”

V:          “Sorry?”

P-P:       “Waarom veroordeelt u mij om het feit dat ik rook?”

V:          “Dat doe ik niet, maar misschien zou u niet moeten roken. Dan zou u een betere conditie hebben om hier te lopen.”

P-P:       “Wie zegt dat ik dat belangrijk vind of dat wil? Misschien rook ik er normaal 50 op een dag en nu maar 4 of zo?”

V:          haalt haar schouders op.

P-P:       “Niet dat uw oordeel mij iets doet of ik er enig belang aan hecht. Er is er maar één, wiens oordeel ertoe doet: ikzelf.”

V:          “En God!”

P-P:       schud mijn hoofd en zeg: “God zit in mij.”

V:          “Zegt u dat u God bent?”

P-P:       “Nee, dat is wat u zegt. Ik zeg dat God in mij zit, net als in u of ieder ander. Hetzelfde geldt voor de Duivel.”

V:          wendt haar gelaat af.

P-P:       “Ik wil geen strijd met u, maar luistert u eens naar het volgende: wanneer u naar mij kijkt had u ook kunnen denken: ‘ondanks dat hij rookt, bier drinkt, geen conditie heeft doet hij het toch maar!’. U denkt over hetzelfde, maar nu met de god in u. Wat u deed was met de duivel in u. Het zijn twee manieren waarop u tegen alles aan kunt kijken en het is aan u om te bepalen met welke u wilt leven.”

Waarom dit gesprek niet uitgesproken is? Omdat de mensen mij niet ingehaald hebben en zij bijna drie kwartier later dan ik op de Clara Hütte aankwamen … Maar dit gesprek dat in mijn hoofd afspeelde zorgde ervoor dat ik de puur fysieke manifestatie losliet en dat ik op een ander trillingsniveau of energieniveau begon te verkeren.

22 juni 2007

Tijdens de derde dag van mijn hüttentocht door het Virgental liep ik door een dal, aan beide zijden afgeschermd door bergen en een snelstromende rivier zo’n honderd meter onder me aan mijn linkerhand. Hier stelde ik de volgende vraag: “God, wanneer u in deze dagen kunt laten zien, hoe ik verder moet in mijn leven, dan graag!”

En God antwoordde …

Een bijzonder gesprek met God *!